Zo kies je de juiste training voor je fitnessdoel

Vetverlies, spieropbouw, conditie, mobiliteit, slaap of stress: kies het trainingstype dat echt past bij je doel. met praktisch schema.

Stel je iemand voor bij de ingang van een sportschool, of thuis in de woonkamer met een telefoon in de hand. Die persoon weet: ik wil fitter worden. Maar wat nu? HIIT klinkt efficiënt. Yoga voelt verstandig. Krachttraining zou onmisbaar zijn. Een buurman zweert bij lange ochtendruns. Elk advies heeft een punt. Het probleem is dat geen enkel advies automatisch past bij het doel.

Daar ontstaat de mismatch tussen doel en training. Het lichaam past zich specifiek aan de prikkel aan die je het geeft, het SAID-principe: Specific Adaptation to Imposed Demands. Lang hardlopen bouwt uithoudingsvermogen op. Progressief zwaarder trainen bouwt spiermassa op. Het een levert het ander niet vanzelf op. Een verkeerd gekozen trainingstype maakt resultaat niet alleen trager; het kan het beoogde resultaat bijna volledig missen.

De ACSM Position Stand (Garber et al. 2011, PMID 21694556) is een van de meest bruikbare kaders voor doelgerichte trainingsvoorschriften. Ze maakt onderscheid tussen cardiorespiratoire training, weerstandstraining, flexibiliteitstraining en neuromotorische training, met aparte aanbevelingen voor elk domein omdat de fysiologische mechanismen verschillen. Deze gids past dat kader toe op de doelen die de meeste mensen echt hebben.

Doel: vet verliezen - metabolische circuits en cardio-intervallen

Vetverlies is een van de best onderzochte doelen in de bewegingswetenschap. De uitkomsten zijn minder simpel dan veel sportschooladvies doet vermoeden. Het klassieke idee dat langzame cardio het meeste vet verbrandt, is fysiologisch onvolledig. Ja, je verbrandt energie tijdens de sessie. Maar de verhoogde stofwisseling daarna blijft vaak beperkt. High-intensity interval training (HIIT) werkt via een andere route: excess post-exercise oxygen consumption (EPOC), een periode waarin het zuurstofverbruik en de stofwisseling na de training verhoogd blijven.

Boutcher (2011, PMID 21113312) beoordeelde de onderzoeksbasis rond high-intensity intermittent exercise en vetverlies. De review vond gunstige effecten op subcutaan en abdominaal vet vergeleken met continue matige inspanning, ondanks een lagere totale calorieverbranding tijdens sommige sessies. Het mechanisme combineert EPOC met catecholamine-gedreven vetmobilisatie: intensieve inspanning verhoogt adrenaline en noradrenaline, signalen die vetweefsel aanzetten om opgeslagen vetzuren vrij te maken.

Metabolische weerstandscircuits geven een verwante maar iets andere prikkel. Je combineert samengestelde lichaamsgewichtsoefeningen met korte rust, waardoor je weerstandsstimulus krijgt voor spierbehoud en tegelijk je hartslag en zuurstofverbruik verhoogt. Daarom kan circuittraining voor lichaamssamenstelling beter passen dan alleen steady-state cardio. Burpees, jump squats, mountain climbers en push-up naar downward dog gebruiken veel spiergroepen tegelijk en verhogen de metabolische vraag per minuut.

Praktisch protocol voor vetverlies: drie tot vier sessies per week van 20-30 minuten. Kies een zuivere HIIT-structuur, bijvoorbeeld 20-40 seconden werk op hoge intensiteit met gelijke of dubbele rust, of een metabolisch circuit met vier tot zes samengestelde oefeningen, 40 seconden werk en 20 seconden rust, drie rondes. WHO-richtlijnen (Bull et al. 2020, PMID 33239350) adviseren 150-300 minuten matige activiteit of 75-150 minuten intensieve activiteit per week. Drie korte HIIT-sessies kunnen binnen dat kader passen, mits herstel en techniek goed blijven.

De waarschuwing die in vetverliescontent vaak ontbreekt: alleen cardio doen in een calorietekort kan naast vet ook spiermassa kosten. Westcott (2012, PMID 22777332) beschrijft waarom weerstandstraining belangrijk is tijdens gewichtsverlies: het helpt vetvrije massa en rustmetabolisme behouden. Programma’s zonder krachtcomponent kunnen er op de weegschaal succesvol uitzien, maar iemand lichter en metabolisch kwetsbaarder achterlaten.

Doel: spieren opbouwen - progressieve weerstand met lichaamsgewicht

Spieropbouw, technisch gezien skeletspierhypertrofie, vraagt drie mechanische voorwaarden: genoeg mechanische spanning, metabolische stress en signaalvorming door spierschade. Die prikkels activeren herstelprocessen en eiwitsynthese, waardoor spiervezels iets groter en sterker terugkomen. De bron van weerstand, ijzeren schijven of je eigen lichaamsgewicht, is minder belangrijk dan de vraag of de prikkel zwaar genoeg is.

Schoenfeld et al. (2017, PMID 27433992) voerden een systematische review en meta-analyse uit naar de dosis-responsrelatie tussen weekvolume en spiergroei. Meer sets per spiergroep per week hingen samen met meer hypertrofie, met een duidelijke praktische drempel rond 4-5 sets per spiergroep per week en sterkere resultaten richting ongeveer 10 sets. Daarboven kan extra volume helpen, maar herstel wordt steeds belangrijker.

Bij lichaamsgewichtstraining vraagt mechanische spanning slimme progressies. Een standaard push-up belast de borst anders dan een zware bench press. Maar een eenarmige push-up, pseudo-planche push-up of decline push-up met een langzame excentrische fase kan de spanning flink verhogen. De progressieladder telt: standaard push-ups, archer push-ups, pike push-ups voor meer schouderbelasting en uiteindelijk handstand push-ups voor bijna verticale duwpatronen.

Trekbewegingen voor rug en biceps volgen dezelfde logica: scapulaire retracties, inverted rows onder een stevige tafel, assisted pull-ups, volledige pull-ups, L-sit pull-ups en archer pull-ups. Voor hypertrofie in het onderlichaam loopt de ladder van squats naar split squats, Bulgarian split squats en pistol squats. Elke stap houdt hetzelfde principe vast: progressieve overload, de motor achter adaptatie.

De praktische les is nuchter: de trainingsprikkel telt, maar de volhoudbaarheid van het programma ook. Lichaamsgewichtstraining verlaagt de drempel omdat je geen materiaal, reistijd of vrij toestel nodig hebt. Dat maakt de kans groter dat de prikkel week na week terugkomt. Voor RazFit-gebruikers met spieropbouw als doel is de progressieve oefenbibliotheek opgebouwd rond push, pull, squat, hinge en core. Badges en moeilijkheidsniveaus maken de progressie zichtbaar, zodat de volgende variant niet op giswerk rust.

Doel: uithoudingsvermogen verbeteren - zone 2-cardio en aerobe basis

Cardiovasculair uithoudingsvermogen groeit via een specifiek pad. Herhaalde blootstelling aan aanhoudende aerobe inspanning leert het hart efficiënter pompen, verbetert de zuurstofuitwisseling en stimuleert meer mitochondriale capaciteit in spieren. Die aanpassing duurt weken tot maanden en vraagt een intensiteit die beginners vaak te laag of juist te hoog kiezen.

De ACSM Position Stand (Garber et al. 2011, PMID 21694556) beschrijft cardiorespiratoire richtlijnen voor duurontwikkeling: 150-300 minuten per week op matige intensiteit of 75-150 minuten op hoge intensiteit. In de praktijk komt dat vaak neer op zone 2: een tempo waarbij je in korte zinnen kunt praten, maar geen ontspannen gesprek voert. Fysiologisch is zone 2 het aerobe mitochondriale werkgebied: vetoxidatie blijft hoog, lactaat blijft onder de drempel en hart- en spieraanpassingen stapelen rustig op.

Gibala et al. (2012, PMID 22289907) lieten zien dat intervaltraining op hogere intensiteit vergelijkbare cardiovasculaire adaptaties kan geven in minder totale tijd. De onderzochte low-volume HIIT-protocollen verbeterden VO2max en oxidatieve spiercapaciteit over 2-6 weken. Voor mensen met weinig tijd betekent dat: drie sessies van 20-30 minuten per week kunnen een zinvolle aerobe basis bouwen wanneer lange matige sessies niet haalbaar zijn.

De minimale effectieve dosis voor duurverbetering ligt voor veel beginners rond drie sessies per week van minstens 20 minuten op matige tot hoge intensiteit. Vooruitgang komt geleidelijk: inactieve beginners merken vaak binnen de eerste acht weken duidelijke conditiewinst, waarna extra verbetering meestal meer volume, meer intensiteit of beide vraagt. Dat is progressieve overload toegepast op het cardiovasculaire systeem.

Een bruikbare analogie: uithoudingsvermogen bouwen lijkt minder op een tank vullen en meer op wegen aanleggen. Elke training voegt niet simpelweg brandstof toe. Ze bouwt extra rijstroken, betere verbindingen en meer distributiecapaciteit. Geen enkele losse sessie verandert je aerobe systeem. Consequent werk over acht weken of langer wel.

Als uithoudingsvermogen je hoofddoel is, bekijk dan het uitgebreide protocol in training voor uithoudingsvermogen.

Doel: stress verminderen - mind-bodybeweging en ritmetraining

De relatie tussen training en stressregulatie is een van de meest herhaalde bevindingen in de bewegingspsychologie. Matige aerobe training kan stemming verbeteren, ervaren spanning verlagen en na afloop het parasympathische systeem activeren. Samen levert dat wat onderzoekers de exercise-affect response noemen: een merkbare verschuiving naar een positievere emotionele toestand na beweging.

ACSM-richtlijnen (Garber et al. 2011, PMID 21694556) noemen regelmatige aerobe training als bruikbare niet-farmacologische interventie voor angst en psychologische stress. De nuance zit in intensiteit. Maximale training tijdens hoge mentale belasting kan voelen als een tweede stressor. Voor stressvermindering werkt ritmische, matige beweging vaak beter: wandelen, fietsen, dansen, touwtjespringen of vloeiende lichaamsgewichtscircuits op gesprekstempo.

Mind-bodyintegratie versterkt dat effect. Bewegen met aandacht voor ademhaling, voetlanding en armritme helpt de sessie regulerend te houden in plaats van chaotisch en prestatiegericht. Dat verklaart mede waarom yoga, tai chi en ademgesynchroniseerde beweging vaak worden gebruikt in programma’s voor stressvermindering.

Voor praktische stressverlichting is 10-20 minuten op matige intensiteit een realistisch startpunt. De vorm is minder belangrijk dan de intensiteit: blijf onder de grens waarop je gaat hijgen, forceren of wanhopig herhalingen tellen. Flow-circuits met soepele overgangen tussen squatvarianten, duwpatronen en mobiliteit combineren cardiovasculair voordeel met aandachtige beweging. Drie tot vier sessies per week maken regulerende beweging een stabieler onderdeel van je dag.

Zie ook onze gerichte gids voor workout voor stressvermindering met sessies voor dagen waarop je stressbelasting al hoog is.

Doel: meer energie - lage tot matige aerobe training

De energieparadox is een van de vreemdste bevindingen in de bewegingswetenschap: beweging kan meer energie opleveren dan ze kost. Dat klinkt onlogisch totdat je naar het mechanisme kijkt. Training put gezonde mensen niet alleen uit. Ze stimuleert mitochondriale biogenese, verbetert slaapkwaliteit en helpt de HPA-as normaliseren, een systeem dat bij chronische vermoeidheid vaak ontregeld raakt.

Een veelgeciteerde studie naar beweging en energie komt van Puetz, Flowers en O’Connor (2008, PMID 18277063) aan de University of Georgia. In een gerandomiseerde studie met sedentaire volwassenen met aanhoudende vermoeidheid zorgde laagintensieve aerobe training, drie keer per week gedurende zes weken, voor 65% minder vermoeidheidssymptomen. Dat effect was groter dan in de hoogintensieve groep. De rustige interventie werkte beter, waarschijnlijk omdat ze het centrale energiesysteem prikkelde zonder de cortisolbelasting onnodig te verhogen.

Voor mensen die meer energie willen, wijst de praktijk dus richting korte, consequente sessies op lage tot matige intensiteit. Twintig minuten stevig wandelen, fietsen of vloeiende lichaamsgewichtsbeweging, drie keer per week, is een zinnige minimale dosis. Timing telt ook: ochtendtraining kan het circadiane ritme ondersteunen, terwijl intensieve avondtraining binnen twee tot drie uur voor bedtijd de slaap bij sommige mensen kan verstoren en zo het energievoordeel ongedaan maakt.

De volledige uitleg over beweging en energie staat in onze gids training voor energie.

Het energiegerichte programmeerprincipe is simpel: laat de trainingsintensiteit aansluiten op je huidige energiestatus, in plaats van die te negeren. Het protocol van Puetz et al. (2008) werkte juist omdat vermoeide deelnemers niet maximaal hoefden te presteren. Ze bewogen rustig, vaak en kort genoeg om geen extra vermoeidheidslast te maken. Boutcher (2011, PMID 21113312) laat zien dat intensief werk metabolische voordelen kan hebben voor vetverlies, maar voor iemand die specifiek op energie traint kan die extra stressbelasting averechts werken.

Doel: beter slapen - regelmatige aerobe training met timing

Slechte slaap is tegelijk een gezondheidsprobleem en een fitnessprobleem. Te weinig slaap verlaagt spiereiwitsynthese, verhoogt cortisol, vergroot trek in calorierijk eten en drukt je trainingsprestatie de volgende dag. De relatie werkt beide kanten op: beter slapen verbetert training, en regelmatige training kan slaapkwaliteit verbeteren.

De ACSM Position Stand (Garber et al. 2011, PMID 21694556) noemt regelmatige aerobe training als een gevestigde interventie voor betere slaapkwaliteit. Mogelijke mechanismen zijn de stijging van lichaamstemperatuur tijdens training gevolgd door een daling in de cooling-down, normalisatie van cortisol over tijd, meer adenosine-opbouw tijdens inspanning en meer diepe slaap naarmate cardiovasculaire fitheid verbetert.

Timing is hier de kritieke variabele. Matige training meer dan drie tot vier uur voor bedtijd verstoort slaap meestal niet en kan die zelfs verbeteren. Intensieve training binnen twee uur voor bedtijd kan inslapen vertragen doordat lichaamstemperatuur en cortisol nog verhoogd blijven. Praktische regel: ochtend of middag voor slaapvoordeel; als de avond de enige optie is, houd de intensiteit matig of lager.

Voor slaapverbetering werkt een protocol van 30-45 minuten matige aerobe activiteit, zoals stevig wandelen, fietsen of lichaamsgewichtscircuits op gesprekstempo, vier tot vijf keer per week. Slaapvoordelen worden vaak na drie tot vier weken consequente training merkbaar. WHO-richtlijnen (Bull et al. 2020, PMID 33239350) ondersteunen 150 minuten matige activiteit per week als dosis met brede gezondheidsvoordelen, waaronder slaap.

Twee slaapgerichte nuances verdienen aandacht. Ten eerste lijkt adenosine-opbouw dosisafhankelijk: sessies korter dan 20 minuten leveren meestal minder slaapdruk op. Voor slaap als hoofddoel is 30-45 minuten vaak logischer. Ten tweede kan cafeïne na de training het slaapvoordeel afvlakken, omdat cafeïne adenosinereceptoren blokkeert. Een koffie na een middagsessie kan dus precies het signaal dempen dat de training net heeft opgebouwd.

Doel: flexibiliteit en mobiliteit vergroten - systematisch rekken en flow

Flexibiliteit en mobiliteit worden vaak door elkaar gebruikt, maar ze vragen andere input. Flexibiliteit is het vermogen van een spier om te verlengen. Mobiliteit is het vermogen van een gewricht om gecontroleerd door de volledige bewegingsuitslag te gaan. Flexibiliteit traint vooral passieve rekbaarheid van spier-peesstructuren; mobiliteit traint actieve neuromusculaire controle.

ACSM-richtlijnen (Garber et al. 2011, PMID 21694556) adviseren flexibiliteitstraining minstens twee tot drie dagen per week, met stretches van 10-30 seconden en twee tot vier herhalingen per spiergroep. Statisch rekken kan passieve bewegingsuitslag binnen vier tot zes weken verbeteren. Dynamische mobiliteit, zoals leg swings, heupcirkels en thoracale rotaties, sluit directer aan op functionele beweging tijdens training.

Het contrarian punt: langdurig statisch rekken vlak voor kracht- of powertraining kan contraproductief zijn. Meta-analyses laten zien dat lange statische stretches vlak voor prestatie de krachtproductie tijdelijk kunnen drukken. Statisch rekken past beter na de training of op hersteldagen. Voor de warming-up werkt dynamische mobiliteit beter: gewrichtscirkels, actieve range of motion en bewegingsspecifieke patronen.

Voor dagelijkse mobiliteit leveren vijf tot tien minuten heupflexor-stretches, thoracale mobiliteitsoefeningen, schoudercirkels en enkelcirkels na elke trainingssessie verbeteringen die over weken optellen. Consistentie verslaat intensiteit bij flexibiliteitstraining. Kortere dagelijkse sessies winnen vaak van sporadische lange sessies wanneer het doel blijvende bewegingsuitslag is.

Onze gids training om flexibiliteit te vergroten behandelt specifieke mobiliteitsreeksen voor de belangrijkste gewrichtscomplexen.

Flexibiliteit heeft een ander tijdpad dan kracht of cardio. Garber et al. (2011, PMID 21694556) beschrijven dat passieve range of motion vaak volgens een responscurve van vier tot zes weken verbetert. Daarna hangt vooruitgang vooral af van hoe consequent de rekdosis terugkomt. De meest gemaakte fout is mobiliteit behandelen als iets voor “als er nog tijd over is”. Ongeplande mobiliteit verdwijnt snel. Geplande mobiliteit, zelfs kort, bouwt op.

Doel: houding verbeteren - gerichte kracht en mobiliteit

Houdingsproblemen zoals ronde schouders, een naar voren gedragen hoofd of anterior pelvic tilt zijn meestal een combinatie van kracht- en flexibiliteitsonevenwicht, geen vast structureel defect. Anterior pelvic tilt komt vaak door verkorte heupflexoren plus zwakke bilspieren en buikspieren. Een forward head posture hangt vaak samen met verkorte borstspieren, zwakke diepe nekflexoren en onvoldoende kracht in rhomboids en onderste trapezius.

Correctieve training pakt die patronen direct aan. Westcott (2012, PMID 22777332) beschrijft dat weerstandstraining functionele bewegingskwaliteit kan verbeteren naast spiermassa en kracht. Gerichte programma’s geven extra aandacht aan de posterior chain, zoals rows, reverse flies, face pulls en heupextensies, omdat veel bureauwerkers al te veel stimulus aan de voorkant krijgen.

Het minimale effectieve protocol voor houding vraagt twee delen: mobiliteit om verkorte spieren lengte terug te geven en kracht om verlengde of geremde spieren weer capaciteit te geven. Voor veel bureauwerkers betekent dat dagelijks rekken van de heupflexoren en thoracale extensie, gecombineerd met rows, face pulls en glute bridges drie keer per week. ACSM-richtlijnen voor neuromotorische training (Garber et al. 2011, PMID 21694556) ondersteunen ook balans- en proprioceptiewerk als extra laag.

Resultaten worden vaak binnen vier tot zes weken merkbaar wanneer het protocol consequent wordt gevolgd: minder spanning in de bovenrug, makkelijker neutraal staan en minder nek- of onderrugklachten. De verklaring is eenvoudig: zodra verkorte spieren verlengen en zwakke spieren sterker worden, kan het skelet terug richting een mechanisch gunstiger positie.

Een programmeerval in houdingswerk: veel duwen toevoegen zonder genoeg trekken. Westcott (2012, PMID 22777332) beschrijft functionele verbeteringen door weerstandstraining, maar die hangen af van gebalanceerde prikkels over tegengestelde spiergroepen. Bureauwerkers die push-ups toevoegen zonder vergelijkbare rowing- of face-pullvolume kunnen ronde schouders juist versterken. In de eerste 8-12 weken is een verhouding van ongeveer twee keer zoveel trekken als duwen vaak verstandiger, voordat je teruggaat naar een meer gebalanceerd patroon.

De doel-trainingmismatch die beginners het vaakst maken

De meest voorkomende beginnersfout is een trainingsvorm kiezen op basis van calorieverbranding in plaats van fysiologisch doel. Iemand wil spieren bouwen en kiest fietsen omdat een les 400 calorieën per uur verbruikt. Iemand wil stress verminderen en kiest bootcamp omdat harde trainingen “resultaat” voelen. Iemand wil beter slapen en probeert zichzelf laat op de avond uit te putten met cardio.

Alle drie keuzes missen het onderliggende mechanisme. Calorieverbranding is een proxy, maar ze vertaalt niet lineair naar spiergroei, stressregulatie, slaap of houding. Het lichaam past zich aan aan de eisen die je stelt. Hardlopen bouwt geen trekkracht. Yoga bouwt niet automatisch cardiovasculair uithoudingsvermogen. Fietsen geeft niet de progressieve mechanische spanning die hypertrofie in het bovenlichaam vraagt.

Gibala et al. (2012, PMID 22289907) maken die mechanistische precisie zichtbaar: de signaalroutes die door high-intensity interval training worden geactiveerd verschillen betekenisvol van die van continue matige training, zelfs wanneer het energieverbruik vergelijkbaar lijkt. AMPK-activatie, PGC-1alpha-respons en mitochondriale biogenese reageren op trainingstype, niet alleen op trainingsvolume.

De praktische correctie: definieer eerst je primaire doel en kies daarna het trainingstype dat het mechanisme achter dat doel raakt. Gebruik de doelen hierboven als beslismatrix. Verandert je doel, bijvoorbeeld van vetverlies naar spieropbouw, verander dan ook je trainingsvorm. Fitness is geen vaste identiteit. Het is gereedschap dat je opnieuw instelt zodra je doel verandert.

RazFits training-per-doelstructuur is op dit principe gebouwd. AI-trainers Orion met krachtfocus en Lyssa met cardiofocus vertegenwoordigen verschillende trainingsmodaliteiten omdat adaptatie verschillende prikkels vraagt. Orion kiezen voor spieropbouw en Lyssa voor uithoudingsvermogen of vetverlies is geen cosmetisch verschil. Het is het verschil tussen training die je fysiologie raakt en training die alleen voelt alsof je hard werkt.

Het type training, niet alleen de hoeveelheid, is een kritieke variabele. Training voorschrijven zonder de trainingsvorm af te stemmen op het fysiologische doel lijkt op medicatie voorschrijven zonder naar het werkingsmechanisme te kijken.
Carol Ewing Garber, PhD Professor, Teachers College Columbia University; Lead Author, ACSM Position Stand on Exercise Prescription

Veelgestelde vragen

5 vragen beantwoord

01

Welke training is het best om snel vet te verliezen?

High-intensity interval training (HIIT) en metabolische krachtcircuits leveren vaak de hoogste opbrengst per minuut, omdat ze energieverbruik, EPOC en spierbehoud combineren. Boutcher (2011, PMID 21113312) beschrijft gunstige effecten van high-intensity intermittent exercise op vetverlies, maar voeding, herstel en consistentie blijven bepalend.

02

Kan ik spieren opbouwen met alleen lichaamsgewichtstraining?

Ja. Progressieve lichaamsgewichtstraining kan spiergroei effectief stimuleren. De sleutel is progressieve overload: moeilijkere hoeken, eenzijdige varianten, tempo, extra sets en oefeningen dichter bij spierfalen. Schoenfeld et al. (2017, PMID 27433992) lieten een dosis-responsrelatie zien tussen weekvolume en hypertrofie.

03

Welke training helpt het best tegen stress?

Matig intensieve ritmische beweging, zoals stevig wandelen, fietsen, dansbeweging of vloeiende lichaamsgewichtscircuits, heeft sterke ondersteuning voor stressregulatie. De ACSM-richtlijnen (Garber et al. 2011, PMID 21694556) noemen regelmatige aerobe training als nuttige niet-farmacologische interventie.

04

Hoeveel trainingen per week heb ik nodig om resultaat te zien?

WHO-richtlijnen (Bull et al. 2020, PMID 33239350) adviseren 150-300 minuten matige intensiteit of 75-150 minuten hoge intensiteit per week voor gezondheidswinst. Voor doelgericht resultaat vraagt vetverlies vaak 3-4 sessies per week; spieropbouw meestal 2-4.

05

Moet ik cardio of krachttraining doen om af te vallen?

Beide kunnen helpen, maar krachttraining heeft sterke langetermijnvoordelen. Westcott (2012, PMID 22777332) beschrijft dat weerstandstraining het rustmetabolisme ondersteunt door vetvrije massa te behouden en op te bouwen. De robuustste aanpak combineert cardio met weerstandstraining.